JACHTMAAN

Tisa Pescar

___________________________________________________________________________________

 

 

De Jager

 

Hij beweegt zich soepel en geluidloos over de vlakte

Met een blik die zo intens is dat het pijn doet als hij je aankijkt

Hij heeft de grauwe kleur van de nacht

Terwijl hij immer op zijn hoede door de duisternis zwerft

Hij is het gevaar dat zijn verlangen achterna jaagt

Hij is de vasthoudendheid die zijn wil beheerst

Hij kent het lijden als geen ander

Hij is de jager

De jager kent geen genade

Evenals het lot

 

__________________________________________________________________________________

 

1

 

Vârcolac

 

 

Hij werd wakker tussen varens en struiken en hij had geen draad aan zijn lijf. Tandenknarsend drukte hij zich op uit de verkrampte houding waarin hij op de grond lag. In zijn mond roerde zich de smaak van bloed. Hij had iets gegeten. Iets had zijn pad gekruist en was ten prooi gevallen aan de honger, die hem afgelo­pen nacht geen rust had gegund.

Voorzichtig trok hij zijn benen op. Een felle pijnscheut schoot vanuit zijn enkels omhoog naar zijn heupen. Hij kreunde en balde zijn handen tot vuisten. Een tiental seconden bleef hij op handen en knieën op de grond zitten. Toen stond hij op. Hij klemde zijn armen om zijn lichaam en speurde met half toegeknepen ogen de omgeving af. Akkers, bomen, een heuvel. Hij had geen idee hoe hij hier terechtgekomen was. Met stramme passen en opeengeklemde tanden begon hij te lopen. Zijn spieren gilden het uit. Zijn botten protesteer­den niet minder luidkeels, maar hij moest hier weg. Hij moest zijn kleren terug zien te vinden en zijn motor, die hij gisteravond achter een boerenschuur had achtergelaten.

Na een minuut of twintig te hebben voort geploeterd, bereikte hij de top van de heuvel en kon hij de omgeving overzien. Al vlug ontdekte hij de schuur. Het gebouw stond verder weg dan hij gehoopt had. Hij zou ruim vier kilometer moeten lopen, een voettocht waar hij bepaald niet op zat te wachten. De weg naar beneden was bezaaid met losse stenen. Hij struikelde keer op keer, haalde zich open aan takken en rotspunten en vloekte binnensmonds toen zijn linkervoet in een bosje brandnetels terechtkwam. Toch dacht hij er geen seconde over om terug te keren of een andere route te nemen. Hij had iets waargenomen. Statisch gezoem, trillingen, een zinderende bron van activiteit tussen de lavendelplanten een meter of tien verderop. Vage herinneringen doemden op uit de mist van zijn onderbewustzijn. Een gevoel van euforie maakte zich van hem meester. Niet gerust op wat hij zou aantreffen versnelde hij zijn pas.

De geur van de dood was overweldigend en sneed hem genadeloos de adem af. Heel even stond hij naar lucht te happen. Daarna rekte hij zijn nek uit om te kunnen zien wat zich achter de struiken bevond. Het was een vrouw. Ze lag met opengereten hals en buik tussen het paars. De rafelige wonden waren op gruwelijke wijze toegebracht en bedekt met vliegen. Sliertjes vlees en ingewanden lagen her en der verspreid. Het zand eronder had de donkere kleur van opgedroogd bloed.

Het besef dat hij dit had gedaan, maakte dat hij kokhalzend achteruit wankelde. Alles wat aan het lijk ontbrak, kwam aan zijn voeten in het gras terecht. Pas toen er niets anders over was dan gal kwam hij tot bedaren. Hij richtte zich op en streek met trillende vingers het haar uit zijn gezicht. Zijn slapen bonsden. Ondanks dat hij het stervenskoud had, liep het zweet in straaltjes langs zijn lijf. De shocktoestand waarin hij verkeerde maakte helder denken zo goed als onmogelijk. Monster, was het enige woord dat in zijn benevelde hoofd opkwam. Alleen een monster zou er niet voor terugdeinzen een ander levend wezen aan te doen wat hij had gedaan.

Hij liep nog verder weg en bleef geruime tijd met gesloten ogen tegen een boom staan leunen. Hij snakte naar een sigaret, naar het prikkelende gevoel van rook in zijn luchtpijp. Het kalmerende effect dat de nicotine gewoonlijk op hem had, zou het gemakkelijker maken zijn zenuwen in bedwang te houden. Het zou hem in staat stellen logisch na te denken. En dat was precies wat hij moest doen, wilde hij enige kans maken zichzelf in veiligheid te brengen. Hij moest kalm blijven en hij moest hier weg. Zonder nog een blik op het lijk te werpen, draaide hij zich om. Hij begon in de richting van de schuur te lopen.


 

 

2

 

Eris

 

 

Eris keek naar Pascal die bezig was een slot op de deur van de nieuwe slaapkamer te maken. Ze snapte heus wel waarom hij dat deed. Daarom had ze er niet naar gevraagd. Je kon het slot aan twee kanten gebruiken. Pascal zou de sleutels verstoppen. Misschien zou hij tegen zijn zusje zeggen dat ze kwijt waren, een leugentje om bestwil dat niemand zou proberen te weerleggen.

Eris stopte haar vingers in haar oren toen Pascal met de boormachine aan de slag ging. Hij had zijn uiterste best gedaan om de kamer achter de deur gezellig te maken. Hij had van alles gekocht. Een smeedijzeren tweepersoons hemelbed, een houten tafeltje, een antieke linnenkast met bewerkte deuren en een rieten stoel. Op de planken vloer lag een pluizig kleed. Pascal wilde dat zijn zusje het naar haar zin zou krijgen, dat ze zich direct thuis zou voelen als ze hier aankwam.

Het geratel van de boormachine verstomde. Eris liet haar handen zakken. Het slot paste. Pascal schroefde het vast en keek of het werkte. Het schoof bijna geluidloos dicht toen hij de sleutel erin omdraaide. Pascal knikte tevreden. Hij verzamelde zijn gereedschap en bracht het naar beneden. Even later kwam hij terug met een blik verf.

Eris bestudeerde de crèmekleurige streken die hij op de deur aanbracht. Dat en de krassen die hij expres op het slot had gemaakt, waren slimme manieren om te verdoezelen dat het slot nieuw was. De verf stonk. Het was een lucht die je uren later nog in je neus had, zelfs als je niet meer in de buurt was. Het was maar goed dat Radu niet thuis was. Hij haatte dit soort geuren. Misschien had Pascal daarom tot het laatste moment gewacht met het verven van de deur. Eris nam zich voor om straks alle ramen tegen elkaar open te zetten, ook die in de andere kamers. Daar mocht ze eigenlijk niet zonder toestemming komen, maar vandaag zou ze een uitzondering maken. Ze had er tenslotte een goede reden voor.

Nadat Pascal zijn verfwerk had afgemaakt en verdwenen was, liep Eris de hele bovenverdieping langs. Als laatste duwde ze de ramen van de nieuwe kamer open. De vitrage wapperde wild heen en weer in de wind. De flinterdunne stof aan de hemel van het bed nam de deining over. Eris ging op het bed liggen, sloot haar ogen en stelde zich open. Haar vermogen om energieën waar te nemen, was veel beter ontwikkeld dan bij de meeste mensen. Als kind al was ze in staat geweest de energie en emoties van andere levende wezens op te pikken. Ze was er alleen niet klaar voor geweest. Daardoor was ze zo in de war geraakt, dat haar ouders niet hadden geweten wat ze met haar moesten beginnen. Ze hadden haar van psychologen naar psychiaters gesleept, die de ene test na de andere met haar hadden gedaan, maar er was er niet een geweest die had begrepen wat er met haar aan de hand was.

Uiteindelijk was ze, op haar vijftiende, na een aanval van hysterie waarin ze had geprobeerd haar polsen door te snijden, opgenomen op de gesloten afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis. Het had haar meer kwaad dan goed gedaan. Niemand had ook maar iets van haar gesnapt. Ze hadden haar 'een intrigerend en uniek geval' genoemd. Ze was een raadsel geweest, dat de dokters graag hadden willen oplossen. Ten slotte was ze, na tientallen uren isoleercel en versuft door medicijnen, als een wrak terug naar huis gestuurd.

Weer hadden haar ouders niet geweten wat ze met haar aan moesten, tot haar moeder via een goede vriend het alternatieve wereldje had opgezocht. Toen was het tij gekeerd.

In eerste instantie had niemand er veel van verwacht. Catherine Morgain was jong en geen arts. Hoe zou zij voor elkaar kunnen krijgen wat al die dokters niet was gelukt? Eris had zonder veel hoop bij de kleine praktijk met de groene deuren en lavendelkleurige luiken aangebeld. Cat had haar vriendelijk binnengelaten en meegenomen naar een knus ingerichte kamer vol warmte. Daar had Eris zich meteen op haar gemak gevoeld. Al vlug had ze zitten vertellen over haar kindertijd, het onbegrip en zelfs over haar mislukte zelfmoordpoging, waar ze nog nooit met iemand over had gepraat. Voor ze het wist waren er twee uur voorbij geweest en had Cat haar lang en diep aangekeken.

'Het is om te beginnen belangrijk dat je van die medicijnen af komt,' had Cat gezegd. 'Die doen jou meer kwaad dan goed, maar doe het langzaam en voorzichtig. Pas als je helemaal clean bent, kan ik iets voor je betekenen.'

Drieënhalve maand later was Eris teruggekomen. Cat had keer op keer geduldig naar haar geluisterd, ontspanningsoefeningen met haar gedaan en kruidendrankjes gemaakt, waar ze zich heerlijk rustig door was gaan voelen. De oorzaak van haar probleem was daar alleen niet mee verdwenen. Ze bleef energieën opvangen en daardoor ging het toch steeds weer mis. Na een paar maanden had Cat iets voorgesteld waar Eris lang over had moeten nadenken voor ze had toegestemd.

'Ik denk dat je verder geholpen kunt worden,' had Cat gezegd, 'maar niet door mij alleen. Je weet dat ik geen arts ben en ik weet dat jij geen vertrouwen meer hebt in de medische wereld. Toch wil ik, als jij het goed vindt, de hulp inroepen van een psycholoog. Je hoeft niet bang te zijn voor nieuwe tests. Hij heeft een nogal ongewone werkwijze en wordt door zijn collega's daarom als zonderling beschouwd. Ondanks dat is hun belangstelling voor hem groot, omdat hij resultaat boekt waar zij falen. Er is alleen één ding waarvoor ik je moet waarschuwen. Laat hem in je ziel kijken en hij zal je kunnen helpen. Raakt hij je hart, dan heb je er een probleem bij.'

Eris had beduusd geknikt en was de deur uit gelopen. Ze had het maar raar gevonden wat Cat had gezegd. Het leek wel of de vrouw bang was dat ze voor de charmes van de psycholoog zou gaan vallen. Het was raadselachtig en vaag. En het had Eris aan het twijfelen gebracht. Ze was zich gaan afvragen of het wel zo slim was geweest in te stemmen met het voorstel de psycholoog erbij te halen. Ze was zelfs aan Cat gaan twijfelen. Misschien had ze hier nooit moeten komen. Misschien was het beter geweest als haar moeder niet op tijd had gemerkt dat ze een aardappelschilmesje mee de badkamer in had genomen. Misschien zou ze dan rust hebben gevonden. Heerlijke doezelige rust, waarin ze kon wegzweven naar de eeuwigheid, of wat de dood dan ook mocht inhouden.

Nu, jaren later, kon ze niet zeggen of het wanhoop was geweest of nieuwsgierigheid, maar ze was toch weer naar Cat teruggegaan. Ze had kennisgemaakt met de psycholoog en was meteen in de ban geraakt van de kracht en rust die hij uitstraalde. Hij had haar doorgrond op een manier waar ze tot dan toe alleen maar van had kunnen dromen. Later had ze ontdekt dat hij dezelfde gaven bezat als zij, en dat hij daarom zo goed snapte wat haar probleem was. Ze had zich bij hem volkomen veilig en op haar gemak gevoeld en was snel vooruit gegaan. In twee jaar tijd had ze geleerd haar vermogens te begrijpen, er gebruik van te maken en wat belangrijker was: zich af te sluiten voor de energieën om haar heen. Aan Cats waarschuwing had ze geen seconde meer gedacht.

 

 

3

 

Maire

 

 

Luchthaven Dijon-Bourgogne. Na een ellenlange vliegreis vanuit Australië, hoog boven de wattenachtige wolken die ik als kind zo mooi had gevonden, zette ik na tien jaar eindelijk weer voet op Franse bodem. Op mijn dertiende was ik door mijn ouders meegesleept naar het land van krokodillen en kangoeroes, waar voor mijn vader een glansrijke zakelijke carrière in het verschiet lag. Mijn moeder had de emigratie zonder slag of stoot voor lief genomen. Ik had tranen met tuiten gehuild, omdat ik mijn oudere broer Pascal in Frankrijk moest achterlaten. Om de fysieke afstand enigszins te compenseren hadden we wekelijks, soms zelfs dagelijks, met elkaar gebeld of gemaild. Desondanks had ik hem ontzettend gemist. En nu zouden we elkaar eindelijk terugzien. Ik kon haast niet wachten.

In tegenstelling tot het afscheid van Pascal, had het afscheid van mijn inmiddels gescheiden ouders me ontstellend weinig moeite gekost. Ik had nooit een bijzonder goede band met hen gehad. Mijn vader was altijd aan het werk en zodoende vaak van huis. Mijn moeder had zich na de scheiding van de ene in de andere woelige relatie gestort. Tijd voor een opgroeiende tiener was er niet geweest. Ik had me, als ik weer eens voor mijn eigen avondeten moest zorgen, keer op keer afgevraagd waarom ze me niet bij Pascal hadden willen laten. Pascal, die oud genoeg was geweest om mij onder zijn hoede te nemen en die daar ook toe bereid was geweest. Ze hadden botweg geweigerd.

 

Pascal was maar weinig veranderd. Hij torende, met zijn lengte van twee meter vijf, ruim boven de wachtende menigte in de ontvangsthal uit en trok zich niets aan van het rookverbod dat er  gold. Ik grinnikte erom. Echt iets voor hem om zich tegen een dergelijke beperking van vrijheid af te zetten. Hij had een aangeboren aversie tegen alles wat algemeen erkend was, en leek er genoegen in te scheppen anderen te confronteren met de in zijn ogen bekrompen normen en waarden binnen de maatschappij. Het had hem tot een verstoteling gemaakt, een buitenbeentje dat, vanwege zijn onconventionele opvattingen en pretentieuze eerlijkheid, nooit veel echte vrienden had gemaakt. Nu had hij die wel, tenminste, dat nam ik aan.

Ik worstelde me door de mensenmassa heen naar hem toe en moest moeite doen mijn tranen te bedwingen toen hij me met opengesperde ogen van hoofd tot voeten opnam.

‘'Maire, eindelijk,' bracht hij met schorre stem uit. 'Je bent groter geworden dan ik gedacht had.'

‘'En jij hebt er heel wat rimpels bij gekregen.' Ik liet mijn ogen over zijn gezicht dwalen. Zijn huid was tanig en gebruind. Zijn strokleurige haar hing springerig tot op zijn schouders naar beneden. Een lang rafelig litteken, dat ik me niet van vroeger kon herinneren, gaf de rechterkant van zijn gezicht een grimmige uitdrukking. Pascal gooide zijn sigaret op de grond en zette zijn voet erop. Vonken spatten in het rond. Ik liet mijn bagagekarretje in de steek en omhelsde hem, waarbij ik zijn stoppelige wangen kuste en hij me met zijn machtige armen dreigde te vermorzelen. Ik nam me voor de schade van de afgelopen jaren zo snel mogelijk in te halen.

Eenmaal in de auto spraken we over van alles en nog wat. Pascal vertelde over zijn werk als kunstenaar, waarmee hij een flinke duit verdiende. Ik deed verslag van mijn reis en bracht hem op de hoogte van de laatste verwikkelingen omtrent de vete die nog steeds tussen onze ouders bestond. Na een korte stilte, waarin ik in gedachten verzonken naar buiten tuurde, overviel de onzekerheid me als een verdwaalde kogel die toevallig doel trof. Pascal woonde niet alleen. Hij deelde zijn huis met een man en twee vrouwen. Mensen die ik niet kende en die mij mogelijk niet zonder slag of stoot in hun territorium zouden toelaten. Ik had er tot nu toe niet echt over nagedacht wat het betekende om met meerdere volwassenen in een huis te wonen. Ik was alleen maar blij geweest dichtbij Pascal te kunnen zijn.

‘'Je bent nerveus, nietwaar?' Pascal keek me een ogenblik aan. 

‘'Een beetje.' Ik toverde een glimlachje tevoorschijn, dat waarschijnlijk niet erg overtuigd overkwam.

Pascal richtte zijn ogen weer op de weg. Vanaf het moment dat hij zijn oude Chevrolet Camaro rechtsaf een uitgestrekt woud in had gestuurd, reden we hobbelend en schuddend over een schijnbaar oneindig zandpad, dat kronkelend als een bleke worm tussen de begroeiing door slingerde. Het zonlicht werd gefilterd door de bladeren van eeuwenoude woudreuzen en kreeg nauwelijks kans de plaatsen te bereiken waar dichte kluwen varens en andere schaduwplanten de zanderige bodem bedekten. Het resultaat was een heiige schemering vol schitteringen. Waar de zon wel tot op de grond doordrong, baanden woekerende braamstruiken zich een weg naar het licht, zich vastklampend aan alles dat maar steun kon bieden aan hun slungelige takken.

‘'En wat maakt je zo nerveus?' vroeg Pascal. Zijn stem klonk geamuseerd. Zijn grijze ogen twinkelden. Hij sloeg linksaf een ander zandpad in.

‘'Ik besef ineens wat ik heb gedaan.'

‘'En dat is?'

‘'In een zwart gat springen waarvan ik de bodem niet kan zien.'

‘'Maire...' Pascal lachte kort. 'Je maakt je druk om niets. Het gat waar jij het over hebt is niet zo zwart als je je voorstelt. De bodem is bedekt met de watten waar ik jou de komende tijd in ga leggen.'

‘'Grappenmaker!' Ik strengelde mijn vingers op mijn schoot in elkaar en prikte zenuwachtig met mijn duimnagel in mijn wijsvinger. Er bleef een ondiepe afdruk achter, waarover zich een tintelend gevoel verspreidde. 'Weet je wat me nog het meest benauwt?' zuchtte ik.

‘'Nou?'

‘'Het feit dat ik niet terug kan.'

‘'Ik dacht dat je nooit meer terug wilde als je eenmaal uit Australië weg was.'

‘'Dat dacht ik ook, maar het is allemaal zo definitief ineens. Ik ben, jou uitgezonderd, alle houvast kwijt. Ik heb geen baan, geen kennissen. Ik ken mijn huisgenoten niet. Ik weet niet waar ik ga wonen. Niets is zeker. Mijn leven is één grote chaos.'

‘'Ik denk dat je er eens bij stil moet staan, dat het leven uit niets anders bestaat dan uit chaos. Leer ermee leven in plaats van het naar je hand te willen zetten.'

‘'Dat klinkt wel leuk, maar een beetje controle kan geen kwaad.'

‘'Dat zal ik ook niet ontkennen. Ik bedoel alleen dat je de dingen die op je weg komen beter kunt aanvaarden zoals ze zijn. Maak je niet zoveel zorgen over de onvermijdelijke consequenties.'

‘'Ik denk niet dat ik dat kan. Ik heb mijn zaakjes graag op orde.'

‘'Dat was vroeger al zo. Ik geloof dat je in essentie niet veel veranderd bent.'

‘'Jij ook niet. Jij bent nog steeds de eigengereide excentriekeling die ik tien jaar geleden vaarwel heb gezegd. Ik dacht dat je die wilde haren onderhand wel kwijt zou zijn.'

‘'Integendeel. Zonder dat zou mijn bestaan ontstellend kleurloos zijn.'

We lachten allebei.

‘'Wat vinden je huisgenoten er eigenlijk van dat je mij in huis wilt nemen,' bracht ik mijn grootste zorg na enige aarzeling te berde.

‘'Zoals jij het formuleert klinkt het als het aanschaffen van een huisdier.'

‘'Ik ben geen dier.'

‘'Mensen zijn ook dieren. Alleen maakt het gros zichzelf wijs dat het menselijk ras superieur is aan de andere soorten, maar om op je vraag terug te komen & Ik heb moeten debatteren als een waar politicus om de anderen zover te krijgen dat ze akkoord gingen.'

‘'Dat meen je toch zeker niet, hè?'

‘'Natuurlijk niet. Ik plaag je maar wat.' Pascal grinnikte. 'Ze vinden het prima dat je erbij komt. Ze verheugen zich zelfs op je komst. Ik ben ervan overtuigd dat alles best op zijn pootjes terecht zal komen.'

 

Een klein halfuur later weken de hoge bomen uiteen en werd een grote open plek zichtbaar. Omringd door sparren, lariksen en een onregelmatig in elkaar gezet houten hek, stond een L-vormige boerenhoeve. Ik staarde ademloos naar het robuuste gebouw, dat op sommige plaatsen een beetje was scheefgezakt en deels met klimop begroeid. Onder de dakgoten nestelden tientallen zwaluwen. Ze vlogen af en aan en schoten, op zoek naar insecten, als zwart-witte boemerangs door de lucht. Naast de ramen, op alle verdiepingen, hingen lavendelkleurige luiken die met haken aan de muren waren verankerd. Op het dak gaf een smeedijzeren vos de windrichting aan.

Pascal draaide de auto stapvoets tussen de hekken door. Enkele kippen maakten zich fladderend uit de voeten. Ze zochten hun heil onder de kastanjeboom in het midden van het geplaveide erf. Op het bankje naast de voordeur lag een rode kater te slapen. Pascal parkeerde de Chevrolet tegenover het langste deel van de hoeve, naast een grote schuur van donkerbruin hout. Het gezoem van de motor verstomde. De kippen kwamen tot rust. Ze verspreidden zich langzaam weer over het erf.

Ik duwde het portier open en stapte uit. Meer dan vierentwintig uur zitten had mijn spieren geen goed gedaan. Ze voelden aan alsof ze vastgeroest waren. Ik liep een stukje van de auto weg en keek rond. Op het grasveldje tussen de hoeve en het hek ontwaarde ik een dikke gevlekte geit. Ze stond vast aan een touw dat aan het uiteinde met een pin in de grond was geslagen. Haar indringende ogen staarden me nieuwsgierig aan.

‘'Dat is Meggie. 'Pascal, die eveneens was uitgestapt, keek ook naar de geit. 'Het is een listige ouwe feeks.'

‘'Is ze vals?' Verbaasd draaide ik me om.

‘'Ja. Ze bijt en ze schopt en als ze de kans krijgt, kopt ze haar horens zonder pardon in je meest edele delen.' Pascal tilde mijn koffers uit de kofferbak. 'We houden haar alleen omdat haar melk zo lekker is.' 

‘'Maar ze ziet er best lief uit.'

‘'Schijn bedriegt.' Pascal gooide de kofferbak dicht. Ik pakte mijn tas van de achterbank en wierp, voor ik hem achterna liep naar de voordeur, nog een laatste blik op de geit die haar interesse in mij alweer verloren had. Ze hield haar kop vlak boven de grond en gaf korte rukjes aan het gras.

 

Binnen was het halfdonker. De lange hal had geen ramen. Het weinige licht dat naar binnen viel, kwam door het ruitje in de voordeur. Zodra mijn ogen aan de schemering gewend waren, begon ik dingen te ontwaren als een ouderwetse kapstok met hoedenplank, een antieke staande klok en een paraplubak. In de nis onder de trap stond een afgeladen schoenenrek. Ook was er een zware met gekruld ijzer beslagen deur, die me deed denken aan een kerker in de middeleeuwen.

Als ik had verwacht meteen door mijn huisgenoten begroet te worden, kwam ik bedrogen uit. Ze waren geen van allen te bekennen. Het enige geluid dat ik hoorde, was het getik van de klok die mij het sprookje van de wolf en de zeven geitjes in herinnering bracht.

‘'Ik heb geen idee waar Cat en Eris uithangen,' zei Pascal, nadat er op zijn roepen geen reactie was gekomen. 'Het is mooi weer, dus het kan zijn dat ze bij het ven zitten. Dan hebben ze ons niet aan zien komen.' Pascal zette mijn koffers onder de kapstok neer. Ik zette de sporttas ernaast.

‘'Ik dacht dat jullie hier met zijn vieren woonden,' zei ik, verwonderd dat Pascal maar twee namen genoemd had.

‘'Dat is ook zo,' Pascal liep voor me uit naar de keuken, 'maar Radu zit op het moment in het buitenland om aan een of andere universiteit een lezing te geven over kwantumpsychologie.'

‘'Kwantumpsychologie?' Ik fronste mijn wenkbrauwen. 'Wat is dat?'

‘'Het heeft te maken met de theorie dat je bent wat je voelt en dat tastbare voorwerpen niets anders zijn dan verdichte leegte. Ik weet ook niet precies hoe het in elkaar steekt. Als je het naadje van de kous wilt weten, moet je het maar aan hemzelf vragen.' Pascal haalde zijn schouders op.

Ik knikte zwijgend. Al had zijn uiteenzetting me nogal vaag in de oren geklonken, toch werd mijn nieuwsgierigheid erdoor geprikkeld. Ik deed mijn best me een voorstelling te maken van de man met wie hij samenwoonde. Veel verder dan wat plastische bewoordingen als 'alternatieveling', 'geitenwollen sok' en 'verstrooide professor' kwam ik echter niet.

‘'We gaan zo wel even kijken waar de dames uithangen,' besliste Pascal. 'Eerst ga ik thee zetten. Jij ziet eruit alsof je wel een opkikker kunt gebruiken.'

‘'Daar heb je gelijk in,' gaf ik toe. 'Ik ben versleten.' Ik ging aan de ruwhouten tafel zitten. Het aanrecht aan de andere kant van de keuken was van graniet. Eronder hingen gordijntjes met een ruitjesdessin. Ernaast zag ik een ouderwetse ingebouwde kast met vierkante raampjes in de deur. Schuin tegenover het aanrecht stond een buffetkast vol kruidenpotten. De vloer was, als een groot schaakbord, zwart-wit betegeld. In het midden bevond zich een vierkant hakblok met daarboven een baldakijn, waaraan een aantal in vorm en maat variërende pannen hing. Het raam naast de buitendeur keek uit op een veld vol wilde bloemen.

Pascal zette de waterkoker aan en kwam bij me aan de tafel zitten. Het litteken op zijn wang trok wederom, als een misvormde maar niet te negeren blikvanger, mijn aandacht.

‘'Hoe kom je daaraan?' vroeg ik, terwijl ik met mijn vinger mijn eigen wang beroerde.

‘'Waaraan?' Pascal keek op.

‘'Aan dat litteken. Dat had je volgens mij nog niet toen ik je voor het laatst zag.'

‘'Dat klopt. Ik ben jaren geleden in een vechtpartij verzeild geraakt. Radu heeft de hals van een gebroken bierfles langs mijn wang gehaald toen ik hem probeerde te wurgen. Sindsdien zijn we dikke vrienden.' Het klonk luchtig. Toch had ik de indruk dat het onderwerp gevoeliger lag dan Pascal wilde laten blijken. Een plotselinge fonkeling in zijn ogen was me niet ontgaan. Ik besloot het onderwerp verder maar te laten rusten.

 

Na de thee nam Pascal me mee naar buiten. Het was warm voor de tijd van het jaar en er woei een zacht briesje. Ik genoot van de kruidige boslucht. Het maakte dat ik me minder moe voelde en dat ik de jetlag die mijn tijdsbesef overhoop gooide even vergat. Ik moest flink doorstappen om Pascal bij te houden. Zijn lange benen droegen hem doelbewust naar de bomen aan de andere kant van het veld, dwars tussen distels en braamstruiken door. Ik bleef, in een poging gelijk op te blijven, keer op keer met mijn spijkerbroek aan de stekelige takken hangen.

‘'Het ven is hier dichtbij,' zei Pascal. 'Het ligt vlak achter die bomen.'

Ik knikte en stapte verwoed door. Zodra we de bomen bereikten, duwde Pascal wat takken opzij. Hij volgde een smal konijnenpaadje. Ik bleef vlak achter hem, erop vertrouwend dat hij de weg wist. Enkele minuten nadien hoorde ik de klaterende lach van een vrouw, gevolgd door het gespetter van water.

‘'Het lijkt verdorie wel of ze aan het zwemmen zijn,' mompelde Pascal. 'Ze zijn niet goed wijs. Het water is niet warmer dan een graad of vijftien.'

‘'Afschuwelijk.' Ik huiverde. Ik moest er niet aan denken in water van vijftien graden te moeten springen.

Naarmate we dichter bij het ven kwamen, werd het gelach luider. Het klonk alsof er een speelse worsteling gaande was, waarbij het water hoog opspatte. Tussen de bomen werd een smal strandje zichtbaar. In het zand lagen twee wollige badjassen, twee paar strandslippers en een blauwe handdoek. Een andere handdoek hing vlakbij het water aan een boomtak. Ik bleef aan de rand van het strandje staan en nam de omgeving in me op. Het ven was ongeveer vijftig meter in doorsnee en deels bedekt met kroos. Het werd omringd door een hoge wal van riet en bomen. Helemaal aan de overkant zwommen een paar meerkoeten tussen de leliebladeren door. Het water zelf zag er mysterieus en donker uit.

‘'Ik ga ze even roepen,' zei Pascal.' voor ze kou vatten.' Hij liep hoofdschuddend naar de waterkant. Ik volgde hem met mijn blik en zag hoe hij enkele seconden later werd besprongen door een klein meisje dat poedelnaakt, zonder gêne het water uit kwam rennen. Ze had het onvolgroeide lichaam van een puber. Haar borsten wezen als kleine puntige heuveltjes naar voren. De tepels stonden rechtop van de kou.

‘'Eris!' Pascal duwde haar vlug van zich af. 'Je bent kleddernat!' Hij griste de handdoek van de boomtak en sloeg die als een cape om haar tengere lichaam.

‘'Ik heb het koud.'Het meisje vleide zich opnieuw tegen Pascal aan, die haar rug stevig met de handdoek opwreef. Hij stak boven haar uit als een reus boven een dwerg.

‘'Jullie zijn niet wijs om nu al te gaan zwemmen,' bromde hij. 'Stelletje dwazen.'

‘'Het was heerlijk hoor,' het meisje deed een stap naar achteren, 'alleen een beetje koud.' Ze liet de handdoek vallen en trok haar badjas aan. Ik zag dat haar blonde haar zo lang was, dat het bijna tot aan haar knieholten reikte.

‘'Eh, dit is Maire.' Pascal gebaarde in mijn richting, waarop het meisje haar blik op mijn gezicht richtte. Ze glimlachte en kwam op me toe lopen. Ondertussen legde ze een knoop in het koord van haar badjas. Vlak voor me hield ze stil. Ik nam haar gezicht in me op en werd er op een vreemde manier door getroffen. Het gekke was dat haar gelaatstrekken helemaal niet bij elkaar leken te passen. Ze had een zachte rimpelloze huid, smalle gebogen wenkbrauwen en onnatuurlijk grote ogen in de diepblauwe kleur van lapis lazuli. Een smal wipneusje liep als een schiereiland vanaf haar hoge voorhoofd naar beneden. Haar mond was naar verhouding klein, met volle lippen die sensueel opkrulden als ze sprak of lachte.

‘'Hallo,' zei ze. 'Eris Biraud.' Ze stak een kleine tengere hand uit die koud aanvoelde. Haar blauwe ogen namen me taxerend op.

‘'Maire Marceau,' stelde ik me voor. Ik liet haar hand weer los en werd afgeleid door de andere vrouw die ook uit het water kwam. Net als Eris was ze naakt, maar ze gedroeg zich een stuk beheerster. Met slechts een paar gracieuze passen bereikte ze mijn broer. Ze pakte de handdoek van hem aan en droogde zich grondig af. Na haar badjas te hebben aangetrokken kwam ze in mijn richting. Ik had direct opgemerkt dat ze veel langer was dan het blonde meisje. Haar donkerblonde haar hing tot op haar middel naar beneden en ze had de zelfverzekerde heroïsche uitstraling van een krijgsvrouw. Ik bedacht dat ik me haar wel kon voorstellen als aanvoerster van een strijdmacht, die ze in harnas, op een groot zwaargebouwd paard naar de overwinning voerde. Misschien was Jeanne 'd Arc geweest zoals zij, al had zij de leeftijd waarop deze legendarische vrouw op beschuldiging van hekserij tot de brandstapel werd veroordeeld lang achter zich gelaten. Jeanne 'd Arc had op haar sterfdag negentien lentes geteld. Deze vrouw schatte ik minstens tien jaar ouder.

‘'Hallo Maire.' Ze gaf me een stevige hand. 'Ik ben Catherine Morgain. Leuk dat we elkaar eindelijk ontmoeten.'

Ik knikte instemmend. Het viel me op dat ze naast haar ferme uitstraling ook iets hartelijks had. Ik voelde me direct bij haar op mijn gemak.

‘'Zullen we maar naar huis gaan,' stelde Pascal voor. 'Jullie vatten nog kou als we hier blijven staan.' Hij had de handdoek van Eris opgeraapt en kwam in onze richting lopen.

‘'Ja.' Eris knikte klappertandend. 'Ik ben bevroren.' Ze draaide zich om en verdween met snelle passen tussen de bomen. Cat volgde haar voorbeeld.

‘'Ik hoop dat je je niet al te ongemakkelijk voelt door die twee,' zei Pascal, terwijl we hen achterna liepen. 'Wij zwemmen hier altijd naakt.'

‘'Nee.' Ik schudde mijn hoofd. 'Ik heb geen last van valse schaamte. Ik heb mam regelmatig tot waanzin gedreven door naakt in huis rond te lopen met alle gordijnen open.'

‘'Dat komt dan mooi uit. Wij zijn ook nogal gemakkelijk in dat soort dingen.'

 

Terug in de hoeve liepen Cat en Eris meteen door naar boven om het kroos van zich af te spoelen. Pascal installeerde mij in de woonkamer. Zelf ging hij naar de keuken om iets te nassen  klaar te maken, zoals hij het uitdrukte. Van mijn aanbod hem daarbij te helpen had hij niets willen weten. Nu zat ik dus in een van de vier gemakkelijke leunstoelen voor de open haard te mijmeren.

De brandende houtblokken verspreidden een prikkelende geur. Het vuur spuwde zo nu en dan wat vonkjes uit die langzaam omlaag dwarrelden. Het was een hypnotiserend schouwspel dat mijn vermoeidheid weer naar de voorgrond drong. Om mezelf van mijn loodzware oogleden af te leiden, nam ik de kamer nog eens in ogenschouw. Het interieur deed me denken aan een gedateerde jachthut. Aan de muur links van de haard hing, naast een dubbelloops jachtgeweer en een opgezette fazant, een groot hertengewei. Aan de tegenoverliggende muur prijkte een schilderij. Het was een nagenoeg onbevattelijk werk van Pascals hand dat ik nog van vroeger kende en waarvan hij nooit afstand had willen doen. De meeste meubels in de kamer waren van hout, behalve de bruinlederen bank en de stoelen bij de haard. Op de ruwe planken vloer lagen handgeweven kleden in de oorspronkelijke kleur van de wol waaruit ze vervaardigd waren. Veel planten zag ik niet, wel vazen met verse bloemen.

De deur ging open. Pascal, Cat en Eris kwamen de kamer in.

‘'Het valt me mee dat je nog wakker bent Maire,' zei Pascal. Hij zette de schaal stokbrood die hij bij zich had op het ronde tafeltje dat tussen de stoelen stond. Cat zette er een blad met  theemokken naast.

‘'Mij ook.' Ik hees me uit mijn onderuitgezakte houding overeind.   

‘'Er moet een stoel bijkomen, denk ik,' merkte Eris op. 'Nu we met zijn vijven zijn, kunnen we niet meer met zijn allen bij de haard zitten.' Ze plofte op de stoel tegenover me neer.

'Daar zeg je wat.' Pascal nam naast mij plaats. Hij hield me de schaal brood voor. Ik pakte er een stuk met ham vanaf.

‘'Op zolder staat nog ergens een oude leunstoel,' zei Cat. 'Misschien kunnen we die voorlopig beneden zetten. Later kopen we dan wel een andere.'

‘'Ik kijk morgen wel even. Ik denk alleen wel dat Radu me moet helpen die stoel beneden te krijgen. Het is een onhandelbaar ding.' Pascal strekte zijn benen voor zich uit. Hij nam een grote hap van zijn brood. Cat knikte instemmend. Ze ging op de overgebleven stoel zitten en informeerde naar mijn reis, waarvan ik het verloop kort uiteenzette.

‘'Ik heb nog nooit gevlogen,' zei Eris, zodra ik was uitverteld. Ze staarde dromerig voor zich uit 'Ik zou het best graag willen. Het lijkt me schitterend. Vooral als je boven de wolken bent.'

‘'Het lijkt leuker dan het is,' zei ik. 'Ik vind vliegen niet iets om voor je lol te doen.'

‘'Dat zegt Radu ook altijd. Hij haat vliegen. Hij is liever twee dagen onderweg met de auto dan dat hij een paar uur in zo'n vliegtuig moet zitten. Hij vliegt alleen als het echt niet anders kan.'

‘'Ik kan me dat wel voorstellen. Vooral de wachttijden zijn een ellende, maar vliegen is statistisch gezien wel de veiligste manier van reizen.'

‘'Dat is waar. Misschien is het daarom wel zo duur.' Eris giechelde.

‘'Autorijden is ook duur,' liet Pascal zich horen. 'Ik denk dat Radu goedkoper uit zou zijn als hij wat vaker een lijnvlucht nam, zeker als je de belasting, het tolgeld, de verzekering en zijn bekeuringen voor te hard rijden meetelt. Hij heeft gewoon vliegangst. Hij wil het alleen niet toegeven.'

‘'Zou je denken?' Eris staarde peinzend voor zich uit.

‘'Natuurlijk.'

‘'Maar je zou toch verwachten dat de statistieken genoeg zeggen om hem gerust te stellen?'

‘'Je vergeet dat Radu zich meer met uitzonderingen dan met regels bezighoudt. Misschien hecht hij minder waarde aan die statistieken dan jij denkt.'

 

Tijdens het uur dat volgde, wisselden we de bij een nieuwe kennismaking gebruikelijke wetenswaardigheden uit. Ik kwam erachter dat Cat zich bezighield met psychosynthese en kruidengeneeskunde. Ze had een praktijk in het dorp en ontving daar per dag acht tot tien mensen, die soms uren onderweg waren om haar te bezoeken. Als zich complexe gevallen aandienden - meestal betrof het dan mensen met diepgaande psychosociale problemen - werkte ze samen met Radu. Eris handelde voor beiden de telefoontjes en administratieve rompslomp af. Pascal besteedde het grootste deel van zijn tijd aan het maken van schilderijen en andere kunstobjecten, die hij exposeerde en duur verkocht. Hij werkte ook vaak in opdracht. Blijkbaar had hij het dus toch verder geschopt dan hem destijds op de kunstacademie was voorspeld. Het deel van de hoeve dat niet als woonruimte gebruikt werd, was ingericht als atelier, zodat hij ongestoord zijn gang kon gaan. Op het moment was hij bezig met het beschilderen van een reusachtige olifant, die op het plein voor een diergaarde geplaatst zou gaan worden en die nu, als een onherkenbare berg loodzware metalen platen, in zijn atelier lag opgestapeld.

‘'Mag ik die olifant eens zien?' vroeg ik

‘'Van mij wel.' Pascal grinnikte. 'Maar stel je er niet teveel van voor. Het is een gigantische berg schroot. Ik kan er zelf soms niet eens wijs uit welk deel wat moet voorstellen.'

‘'Lastig lijkt me dat.'

‘'Dat is het ook. Die olifant drijft me af en toe tot wanhoop. Het is maar goed dat ik er een bom duiten voor vang, anders had ik het allang opgegeven. Ik denk dat je mijn portfolio beter kunt doorkijken. Daar staan foto's in van dingen die af zijn.'

'Die wil ik ook wel zien, ja.' Ik dronk mijn thee op en gaapte achter mijn hand. Eris zag het.

‘'Je bent moe hè?' vroeg ze.

Ik knikte. 'Ik ben al heel lang achter elkaar op.'

'Hoe laat is het nu in Australië?'

‘'Tien uur later dan hier. Normaalgesproken zou ik nu in bed liggen.'

‘'Wat een raar idee.'

‘'Dat is het ook. Voor mijn gevoel is het midden in de nacht. Ik denk niet dat ik het volhoud om tot vanavond laat wakker te blijven.'

Eris glimlachte. De intense blik waarmee ze me aankeek, bezorgde me een gevoel dat het midden hield tussen onbehagen en fascinatie. Haar uitstraling was op zijn zwakst uitgedrukt ongewoon. Ze deed me denken aan een elfje. Het zou me niet verbazen als ze onder haar kleding een paar ragfijne vleugels verborg, waarmee ze ieder moment zou kunnen wegvliegen.

De betovering werd verbroken door Pascal. 'Ga je mee, Maire? Dan laat ik je je kamer zien.'

Ik stond op en volgde hem naar de gang waar mijn spullen nog steeds onder de kapstok stonden. Pascal pakte mijn koffers en wees me de weg naar de eerste verdieping. De traptreden kraakten onder onze voeten. Op de leuning zag ik kale plekken. Mijn kamer bevond zich helemaal aan het eind van een lange gang. De perfectie waarmee Pascal mijn door de jaren veranderde smaak in de inrichting gestalte had weten te geven was verbazingwekkend. Hij had er nooit naar gevraagd en ik had hem op mijn beurt nooit iets verteld. Toch had hij tot in de finesses aangevoeld wat ik mooi vond. Aan de muur boven het bed hing zelfs een replica van Johfra, mijn favoriete schilder.

Pascal zette mijn koffers naast de antieke linnenkast neer. 'En?' vroeg hij. 'Wat vind je ervan?'

‘'Prachtig.' Ik liet mijn ogen langzaam door de kamer dwalen. Pascal liep naar het raam en duwde het open. Een verkoelende tochtstroom dreef naar binnen.

‘'Ik moet alleen nog wat aan die klemmende deur doen,' zei hij. Hij draaide zich om en ging op de vensterbank zitten. 'Ik zal je trouwens direct een van onze huisregels vertellen. Wij hebben de afspraak elkaars domein niet zonder toestemming te betreden. Dat betekent dat jij van nu af aan de enige bent die iets over deze kamer te vertellen heeft. Als je dingen wilt veranderen hoef je jezelf dus niet bezwaard te voelen.'

‘'Ik wil niets veranderen. Het is perfect zo.'Ik liet mijn vingers langs een van de stijlen van het hemelbed glijden. Het smeedijzer voelde koel aan. 'Hoe wist je eigenlijk wat ik mooi vind?' vroeg ik.

‘'Dat wist ik niet. Ik heb erop gegokt.'

‘'Het had echt niet beter gekund. 'Ik liep op Pascal af, omhelsde hem en gaf hem een kus op zijn wang. 'Dankjewel.' 

‘'Geen dank.' Hij maakte zich los uit mijn omhelzing en liep naar de deur. 'Ik zal je nu maar alleen laten. Mocht je jezelf willen opfrissen, de badkamer is die beige deur naast de trap.' Hij verliet de kamer en trok de deur zacht achter zich dicht.

Ik liep naar het bed en vleide me erop neer. De matras veerde zacht mee onder mijn gewicht. De kussens waren donzig. Met een zucht sloot ik mijn ogen. God, wat was ik moe. Mijn armen en benen voelden aan als lood. Ik had het gevoel dat ik, nu ik eenmaal lag, nooit meer overeind zou kunnen komen. Mijn zorgzame broer, die door anderen vaak ten onrechte cru en gevoelloos werd gevonden, had me echt teveel verwend.

Ik vroeg me eensklaps af wat hem ertoe had gebracht zijn geliefde Parijs te verlaten. Hij had zolang ik me kon herinneren midden in het centrum gewoond, tussen kroegen, winkels, rumoerige verkeersopstoppingen en duizenden stadsgenoten. Hij had ooit gezworen er nooit weg te zullen gaan. En nu woonde hij in een oude boerderij, midden in een ongerept natuurgebied waar zelden iemand kwam en waar niets te beleven viel. Misschien was hij toch meer veranderd dan ik in eerste instantie had gedacht en had hij zijn jeugdige branie afgezworen om een rustiger leven te gaan leiden.

 

 

VERDER LEZEN?